donderdag 6 april 2017

Pendragon XLVI - Het Rode Beest

Weer een aflevering van Pendragon. Het jaar is inmiddels 513. Volgens de Great Pendragon Campaign gebeurde er in dit jaar worden de kinderen die vorig jaar in het Noorden geboren zijn, meegenomen door Merlijn en gedood. Dit leidt tot grote woede van Koning Lot, die zijn leger naar het Zuiden laat optrekken uit wraak, samen met Koning Roynce. Maar beiden zijn in mijn campagne al gedood.

Lot,
Koning van Lothian en Orkney
Roynce,
Koning van Norgales















Koning Lot stierf in 510, door de hand van Sir Ebel van Burcombe, in de Slag bij Bedegraine. Daarna heeft Koning Arthur in 511 vrede gesloten met Mogause, zijn tante, die nu regeert over Lothain en Orkney. Koning Ryonce is in 512 door Sir Caulas gedood, toen hij voor de tweede keer problemen maakte in Cameliard.
Dus ik had weinig zin om nog eens slag te leveren en de twee dode koningen te vervangen door twee andere koningen uit het Noorden. Ik koos voor een heel andere aanpak. Dit moest maar eens een jaar van rust en regelmaat worden. Lang geleden heb ik eens van +Sander een Pendragon PDF gekregen voor valentijnsdag (hij weet wat zijn meisje leuk vindt!), Tales of Chivalry and Romance, waar allerlei korte avonturen in staan. Daar wilde ik er een uit spelen, the New Made Knight.

Lees hieronder wat mijn spelers er van maakten...

En huiver...

Bradwen Eenoog (afwezig)
Caulas van Salisbury
Eric van Burcombe
Gwenda van Berwick St. James
Ignaeus van Broughton (afwezig)

Sarum, lente 513

Earl Caulas van Salisbury en Devon houdt zijn hof in Salisbury en hij ontvangt zijn vazallen en ridders en hoort hun klachten aan. Een van de vazallen die naar hem toekomt op deze dag, is een vrouw met een blinddoek om. Zij is vrouwe Enide, de weduwe van Dinain en moeder van de jonge ridder Dinain. Zij maakt zich zorgen om haar zoon. Haar man, Dinain de Oudere, was een trouw vazal van de Earl van Salisbury en streefde ridderlijkheid na in alles wat hij deed. Sir Caulas zucht inwendig, Koning Arthur is daar ook helemaal weg van, en het doet hem weinig. 

Dinain de Jongere,
van Rimchurch
Vrouwe Enide van Rimchurch















Vrouwe Enide gaat verder met haar verhaal. Haar zoon, ook Dinain, is na de dood van zijn vader heer geworden van het leen Rimchurch. En hij zocht contact met zijn naaste collega-ridders, maar dezen lachten en hem en de ridderlijkheid van zijn vader uit. Sindsdien heeft Dinain besloten dat hij niets met ridderlijkheid te maken wil hebben en hij stelt zich meer en meer op als een brute roofridder, die leeft bij de macht van de sterkste. 
Vrouwe Enide kon het allemaal niet meer aanzien en bond haar ogen af, zodat zij niet langer getuige hoefde te zijn van het feit dat haar zoon de nalatenschap van zijn vader met de voeten treedt. Sir Caulas zucht nogmaals diep. Hij heeft maar weinig geduld met vrouwen die zo graag hun eigen drama creëren.
Het leven van een Earl is zwaar.
Vrouwe Enide smeekt hem nu om haar zoon Dinain onder zijn hoede te nemen, zodat hij zijn vazal de echte waarde van het ridderschap kan onderwijzen. Nu dwaalt hij steeds meer af van het rechte pad en zij kan het niet langer aanzien. 
Sir Caulas vreest het ergste, maar vraagt het voor de zekerheid toch even na. Is Dinain niet trouw aan zijn leenheer, Sir Caulas? Is Dinain niet trouw aan zijn koning, Arthur? Is Dinain een lafaard in de strijd? Vrouwe Enide antwoordt dat trouw of dapperheid het probleem niet zijn, maar Dinain toont geen respect voor vrouwen, voor de broederschap van ridders, voor adeldom en voor religie. Zij is bang dat hij aan een kwalijk einde komt, wanneer hij geen verdere begeleiding krijgt van nobele ridders, als Sir Caulas. 
Sir Caulas vertrouwt het totaal niet. Een of andere vreemde vrouw, die hij totaal niet kan plaatsen (recognize fail) met een wazig verhaal over een ridder die zich wel weet te handhaven in de strijd, maar verder een beetje een lomperik is, hij ziet het probleem niet zo. Hij heeft ridders als Uther en Madoc van dichtbij meegemaakt en dit klinkt als het toppunt van ridderlijkheid. 
En Sir Caulas heeft een diep geworteld wantrouwen jegens Morgaine. Hij vermoedt dat deze dame Morgaine zelf is, of anders een agente van Morgaine. Sir Caulas denkt even na en stuurt dan ridders Eric en Gwenda mee met Dinain om hem het een en ander bij te brengen. Sir Gwenda en Sir Eric zijn zelf ook nog vrij onervaren ridders en kunnen misschien ook nog iets leren van Dinain. 

Sir Dinain neemt Sir Eric en Sir Gwenda mee naar een leen dat in de buurt van het zijne ligt. Daar woont Sir Plenorias. Op zijn grondgebied staat aan de rand van het woud een verlaten toren, waar het spookt. Elke nacht verschijnt daar een monsterlijk, misschien wel duivels wezen. Het lijkt een reusachtig, kwaadaardig hert te zijn. 

Afbeeldingsresultaat voor british red deer
Ook niet-duivelse versies zijn behoorlijk imposant.

Iedereen is bang van het monster, en mijdt de toren. Wanneer iemand een nacht in de toren door kan brengen en het er levend afbrengt, zou de vervloeking opgeheven kunnen worden. Sir Dinain durfde het niet. Sir Eric en Sir Gwenda willen nu toch wel eens zien wat er gaande is. 
Van Sir Plenorias krijgen zij toestemming om naar de toren te gaan. Eenmaal daar aangekomen herkent Sir Gwende de toren als een oude Christelijke kapel. Zij ruimt samen met de andere ridders het een en ander op. Wanneer zij alle planten en struiken en zo weghalen, zien zij dat er nog een paar gekleurde ruiten in de ramen zitten, waardoor er een gekleurd licht naar binnen valt. Verder vinden zij ook nog wat achtergelaten, kromgetrokken kaarsen. 
Buiten realiseert Sir Eric zich dat het bosje naast de kapel ook aangelegd is. Wanneer hij daar wat planten wegsnoeit ziet hij dat het een oud druïdenbosje is geweest. In het midden staat zelfs een standbeeld van een springend hert. Is dit dan een heilige plek voor lokale aanhangers van het oude geloof?

Wanneer de nacht valt, steken de ridders kaarsen aan en zij wachten af. In het duister komt er inderdaad een enorm wezen het gebouw in gelopen, maar door het kaarslicht zien zij geen demonisch hert, maar een groot Edelhert, die nog groter lijkt, omdat er allemaal troep in zijn gewei hangt en over zijn schouders hangt. 
De ridders zijn dapper en vangen het hert en ontdoen het van een groot deel van de troep, waarna het wegvlucht. 

Wanneer het weer ochtend wordt, gaan de ridders op zoek naar een nabijgelegen klooster, om daar aan te geven dat zij een kapel gevonden hebben en dat het een goed idee zou zijn om die weer verder op te knappen en in het beheer te laten van een religieuze orde. 
Wanneer zij het terrein van het klooster oprijden, wordt Gwenda aangesproken door een wat verwilderd uitziende man. Het blijkt haar oom Dafy de Grote te zijn. Die verdween tijdens de onrustige dagen in Londen, toen de Jonge Arthur voor het eerst het zwaard uit de steen trok. Kennelijk is hij hier terecht gekomen. 
Gwenda wil hem niet herkennen. Zij vindt het wel fijn om een ridder te zijn en aan het hoofd te staan van de familie Berwick St. James. Als Daft terugkeert, wil hij misschien ook zijn invloed terug. En nu zij hem spreekt wordt zij niet verder gerustgesteld. Dafy blijkt een enorme, diepe haat ontwikkeld te hebben jegens alles wat heidens is. Dat moet allemaal uitgeroeid worden en het Christendom moet overal verspreid worden. Daar wordt Gwenda helemaal niet vrolijk van. 

Sir Gwenda en Sir Eric besluiten om vlot weer te vertrekken, nadat zij hun boodschap hebben achtergelaten. Beiden geven een donatie aan het klooster, zo lang als Dafy op hun terrein blijft. Die boodschap komt ook over. 


Winterphase 513/ 514

Sir Caulas krijgt een zoon, hij noemt hem Yorick. 

Gwende regelt een huwelijk tussen Sir Dinain en haar halfzus, Gwena. 

En uit het huishouden van Sir Eric verdwijnen zijn twee nichtjes Cornelia en Columba. Zij zijn dochters van Sir Edward van Burcombe en zijn vrouw, Cornelia Livius, en daarmee dus ook de achternichten van Sir Ignaeus. En ze zijn nog maar 10. Zijn ze ontvoerd door Saksen? Door slavenhalers of door monsters uit Faerie? Niemand die het weet.